Emily Dickinson

Reading the book ‘Poems’ by Emily Dickinson. In the preface two of her friends describe how they found, perceived and eventually published (after her death) the poems. The description of their first perception is a poem on its own:

In many cases these verses will seem to the reader like poetry torn up by the roots, with rain and dew and earth still clinging to them, giving a freshness and a fragrance not otherwise to be conveyed.

As if you can feel, taste here poems from here. They are as original as the woman who wrote them. Straight from the Earth and written with the heart.

Inspiring, again and again, to stretch and challenge the openness and the boundaries of my own perception. Emily has a wide range of doors of perception.

Although Dickinson was a prolific private poet, fewer than a dozen of her nearly eighteen hundred poems were published during her lifetime. The work that was published during her lifetime was usually altered significantly by the publishers to fit the conventional poetic rules of the time. Although most of her acquaintances were probably aware of Dickinson’s writing, it was not until after her death in 1886-when Lavinia, Emily’s younger sister, discovered her cache of poems-that the breadth of Dickinson’s work became apparent.

I am a fan of Emily, forever.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

* Bloem, J.C.1947, gedicht uit bundel: ‘Quiet though sad’

Ode aan Nine

Daar ben je, Nine. Je bent vandaag geboren. Deze ochtend, bij het aanbreken van deze prachtige en zonnige dag, ben jij op de wereld gekomen. Morgen houd ik je in mijn armen.

Je komst gaat vergezeld met de waardige klanken van The Arrival of the Queen of Sheba, dit pareltje van Georg Friedrich Händel. Daar komt iemand binnen! Dit ben jij, zo rustig, zo in balans, zo gracieus. Welkom, Nine. Een ode aan jou.

De golven van 1953

Het koor zingt de gierende wind
Bij de namen van hen die verdronken
De burgemeester spreekt uit zijn hart
– Het is plots doodstil nu –
Zo direct en verbindt de zielen
Van hen die zijn met hen die waren

Staat achterin de kerk
Het meisje dat alles verloor
Die nacht haar familie zag vergaan in de grijze golven
Dichtbij de foto van een vroeger thuis

De dijkgraaf duidt de oude dijken
De onzekere veiligheid van toen en
Nog steeds. Het verdriet reikt verder
Dan de witte bloemen op de grijze graven
Stil zijn zij, nog steeds, in de stromende regen

In de gestolde golven van die nacht
Rent nog steeds langs de huizen de jongen
Waarschuwend in de nacht
De brandweerman die toch na uren
Het kind uit zijn armen heeft moeten laten

In de stilte van een gedicht weerklinken
De angstige kreten in de gierende storm
In de verte de beelden ook
Van de redders die alles doen

Haast machteloos maar met man en macht
Vechten tegen de muur van water
En speuren over de eindeloze en angstig deinende vlakte
Van zestig jaar die samenvallen op deze dag

Halsteren, 1 februari 2013
Jack P. Kruf