Identiteit: de heldere kijk van Mary Douglas

Jack Kruf | 2022

De idee van Mary Douglas (1921-2007). Als antropologe hield zij zich bezig met sociale krachten in de samenleving in relatie tot de eigenheid van het individu. Zij wordt internationaal beschouwd als gezaghebbend door haar bijdragen aan inzicht in de wijze waarop de mens zijn plek zoekt, vindt of niet vindt in de samenleving.

Zij bestudeerde onder meer ons consumptiegedrag en kwam tot de conclusie dat dit niet zozeer wordt gedreven door hebzucht maar door het verlangen van elk mens om voor zichzelf een geloofwaardige plaats in de wereld te verwerven. Dit gedrag definieerde zij als een strategie om sociaal te kunnen overleven.

Zij heeft het vraagstuk van rijkdom en armoede nader uitgewerkt, een tweedeling die hoog op de internationale agenda’s prijkt. In de ogen van Douglas verhindert armoede dat mensen hun essentiële behoeften om eigen identiteit en bezit kunnen tonen. Zo beschouwd is armoede psychologisch diep ingrijpend en daarmee veel omvangrijker dan een fysiek vraagstuk.

Les couleurs de Normandie

Staand in Honfleur voor een eenvoudig huisje ontdek ik, met mijn neus op de details van deur en muur, het rijke palet aan patronen en structuren. De details zijn mogelijk als een vorm van kunst te duiden.

Het muurtje straalt eenvoud uit en is tegelijkertijd toch ook zo rijk geschakeerd in een haast perfecte match van materialen. Maar de kleuren! Die komen pas echt bij me binnen. Ils sont les couleurs de Normandie.

Foto: © Jack Kruf (2007) Les couleurs de Normandie en Honfleur [fine art print]. Breda: Private collection.

De gave van Gauguin

Wat hebben kunstenaars en bestuurders gemeen? Op het eerste gezicht niet zoveel, althans in de meeste gevallen. Maar bij het lezen van het boek Dat kan mijn kleine zusje ook door Will Gompertz (voormalig directeur Tate Gallery), dat handelt over begrip voor moderne kunst (met als startpunt de impressionisten), blijkt toch een verrassende parallel. Wij citeren (p. 89):

“Wat hij (Paul Gauguin, red.) wél bezat – en wat  alle grote kunstenaars bezitten – was het vermogen om op een unieke manier universele ideeën en gevoelens over te brengen. Om daartoe in staat te zijn moet het talent van het individu meestal de tijd krijgen om een eigen, herkenbare stijl te ontwikkelen. Als dat eenmaal gebeurd is en de schilder zijn of haar eigen stemgeluid gevonden heeft, kan er een gesprek met de toeschouwer plaatsvinden. Er worden dan aannames mogelijk en er kan een relatie ontstaan. Gauguin bereikte dat stijlkenmerk in een opmerkelijk korte tijd, en dat bewijst zijn vakbekwaamheid en intelligentie.”

De snelle oriëntatie, het ontwikkelen van de eigen stijl, het eigen authentieke stemgeluid vormgeven zijn de gaven van Gauguin. Zij komen overeen met wat goede bestuurders in de relatief korte bestuursperioden van vier jaar ook te doen hebben. Net als hebben zij beperkte tijd om te binden met hun omstanders, burgers, bedrijven en instellingen, eigenlijk met de samenleving. Wat Gompertz hier schrijft zou hij ook geschreven kunnen hebben voor bestuurders.

Waar ligt de kern van de gave van Gauguin? Gompertz licht op p.86 een tipje van de sluier op – een deel aan de hand van La Vision après le sermon (1888), te zien op de afbeelding hierboven – wat het volgens Gauguin zelf was:

“Hij (Paul Gauguin, red.) was tot de conclusie gekomen dat het de impressionist aan intellectueel doorzettingsvermogen ontbrak. Ze konden niet verder kijken dan de werkelijkheid zich voor hun ogen ontrolde. Hun rationalistische kijk op het leven beroofde hun schilderijen van de belangrijkste ingrediënt: verbeeldingskracht.”

Paul Gauguin is een verrassende en inspirerende leermeester voor bestuurders en managers: verbeeldingskracht als gave en factor voor het leggen van verbindingen. Zeker met de grote maatschappelijke en infrastructurele veranderingen inzake klimaat, biodiversiteit, energie (et cetera) voor ons is dit een eigenschap met doorslaggevende betekenis. Het creëert stimulerende kaders en dus draagvlak voor verandering.

* Will Gompertz (2012), Dat kan mijn kleine zusje ook: Waarom moderne kunst kunst is. Meulenhoff, Amsterdam, 464 pp.

Representatieve democratie

De zwarte pion in het schaakspel kan worden beschouwd als de vertegenwoordiger van hen door wie het is gekozen, de witte pionnen. Het is een rol – niets meer, niets minder – die hij of zij krijgt toebedeeld om te besturen en te beslissen in de geest van en in de behoefte aan.

Burgers en bestuurders hebben, zo beschouwd, dezelfde hoogte. Dit is een wezenlijk uitgangspunt van de idee van representatieve democratie. Dit beeld is een metafoor, uiteraard. De vergelijking met de werkelijkheid gaat in veel gevallen mank, helaas. Hoewel, zeker niet altijd. Er zijn voorbeelden, die de regel bevestigen. Dat zijn de echte leiders.

De zwarte pion als onderdeel van de groep, van de samenleving, onder de mensen toegankelijk, luisterend, transparant, verbindend, communicerend, de eigen achtergrond nooit vergetend of verloochenend en vooral wetend dat het niet meer is als de witte pion. Zou dat niet geweldig zijn!?

Identiteit

Paul Verhaeghe onderzoekt in Identiteit (2012) de effecten van dertig jaar neoliberalisme, vrijemarktwerking, privatisering en de relatie tussen de maakbare samenleving en onze identiteit. Wie wij zijn wordt zoals altijd bepaald door de context waarin wij leven. Die context bepaalt op dit moment: wie geen succes heeft zal ziek zijn.

Paul Verhaeghe: “Maatschappelijke veranderingen hebben gezorgd voor een veranderd ik-gevoel.

De dwang tot succes en geluk blijkt een keerzijde te hebben: het leidt tot verlies van zelfbesef, tot desoriëntatie en vertwijfeling. De mens is eenzamer dan ooit. De liefde is moeilijk te bereiken en betekenisvol leven is diepgaand problematisch geworden.”

“Ik doe een poging om het daarbij aansluitende mensbeeld, de spiegel die ons omringt, onder worden te brengen (p. 116):

Mensen zijn competitieve wezen die vooral uit zijn op hun eigen profijt. Op maatschappelijk vlak is dat in het voordeel van ons allemaal, want iedereen zal in die competitie zijn uiterste best doen om aan de top te geraken. Daardoor krijgen we betere en goedkopere producten in combinatie met een efficiëntere dienstverlening binnen een één gemaakte vrije markt, zonder inmenging door de overheid.

Dit is ethisch correct, want het slagen of mislukken van een individu in die competitie hangt volledig af van diens eigen inspanningen. Iedereen is bijgevolg zelf verantwoordelijk voor het eigen succes of falen. Vandaar het belang van onderwijs, want onze wereld is een razendsnel evoluerende kenniseconomie die om hoogopgeleide mensen met flexibele competenties vraagt. Eén hoger-onderwijsdiploma is goed, twee is beter en levenslang leren een must. Iedereen moet blijven groeien. Immers de competitie is bikkelhard. Vandaar ook de dwingende noodzaak aan functioneringsgesprekken en constante evaluaties, die alles geleid door de onzichtbare hand vanuit een centraal management.

Dit is de korte samenvatting van het grote verhaal dat vandaag de dag onze cultuur beheerst en dat bijgevolg onze identiteit vormt. Cultuur kunnen we het best begrijpen in de ruime betekenis, want dit verhaal heeft ondertussen alle sectoren ingenomen, van wetenschap via onderwijs tot de zorgsector en de media. Ik herinner er nog even aan dat identiteit ook onze normen en waarden bevat en bijgevolg de verhouding tegenover anderen bepaalt.”

“Loon naar werken in naam van de vrijheid (GC p. 118):

Het woord ‘meritocratie’, door Scott Belsky van Adobe deze week nog als thema centraal gesteld in hun nieuwe website Behance tijdens hun wereldwijde congres), was tot voor kort vrij onbekend, in tegenstelling tot de onderliggende gedachte waarmee zo ongeveer iedereen opgevoed is: loon naar werken; iedereen krijgt wat hij verdient; boontje komt om zijn loontje, zoals men zaait, zo zal men oogsten, enzovoort…

De macht (kratos) dankzij de inzet, de verdienste (merit)…

De versmelting van vrijheid en loon naar werken heeft gezorgd voor een kantelpunt, waarna we het beste kunnen spreken van een ‘neoliberale meritocratie’. Het belang van dat kantelpunt kunnen we afwegen aan de gevolgen. Binnen de kortste keren valt de sociale mobiliteit stil, ontstaat er een groeiende kloof tussen onder- en bovengroep en moeten vrijheid het veld ruimen voor een veralgemeende paranoia.”

Interview Paul Verhaeghe in Brands met Boeken.

Uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam