Het belang van investerend vermogen

Jack Kruf

De vraag van onze burgers om meer te investeren in onze stad, Fort Auvergne, heeft geleid tot een stevige bestuurlijke reflectie. De heidagen waren intensief en confronterend. Veel ontwikkelingen inzake klimaat, water, energie, veiligheid nopen tot nieuwe investeringen, dit om de resilience van stad en samenleving op peil te houden, nu en in de nabije toekomst. En dat geld is er niet. Het investerend vermogen van de overheid is ver onder de maat: de reserves zijn leeg, de schuldposities zijn het laatste decennium toegenomen en de solvabiliteit is erg laag (12%).

Als bestuur van de stad kwamen wij plots tot het inzicht dat wij niet meer moeten denken in uitgewerkte masterplannen, blauwdrukken en talloos nieuw beleid met telkens weer die ambities. Dat laatste kenmerkt ons. Ineens werd ons duidelijk dat het denken in eindbeelden erg gedateerd is. Strategie en beleid maken is mooi maar levert meestal droombeelden, die toch morgen al beschouwd worden als bestuurlijke hallucinaties. Ambities hebben, het is bestuurlijk absoluut een doodlopende weg. Geen enkele burger gelooft ons meer: “Daar heb je ze weer”, horen wij ze denken.

Daarom hebben wij per direct onze eigen ambities afgelegd en ons opengesteld voor een geheel nieuwe houding en aanpak.

Uit de (intensieve) gesprekken, die wij inmiddels met onze bedrijven, instellingen en burgers hebben gevoerd, blijkt dat er veel investerend vermogen in de samenleving zit – veel meer dan wij dachten – en dat blijkt dat wij als bestuur van de stad ons beter kunnen richten op het losmaken c.q. aantrekken hiervan. Daar hoort volgens onze gesprekspartners wel een nieuwe vorm van bestuurlijke regie bij, die nergens anders kan worden belegd. Met lange lijnen en contracten én met bestuurlijke voorspelbaarheid. In een permanent politiek verschuivend landschap wordt dat een uitdaging.

Een nieuwe bestuurlijke koers dus voor ons: niet zelf met allerlei plannen komen en met ambities strooien, maar luisteren naar de samenleving, haar faciliteren, stimuleren, verbinden. Er is ook geen andere keuze eigenlijk. Doorberekening van de noodzakelijke omvang van het investerend vermogen voor onze stad leert ons dat wij als bestuur slechts 8% in kas hebben voor wat echt nodig is. Hm.

Het spel is inmiddels op de wagen om investeerders gericht te vinden, te verleiden en te contracteren. Als bestuur gaat bij ons nu het roer drastisch om. Van de zogenaamde eigen en autonome sturing naar werken in allerlei publiek-publieke en publiek-private samenwerkingen en ketens. Een totaal nieuw concept voor ons. Niet zélf investeren, maar werken langs de lijn van het bieden van stimulerende kaders teneinde bedrijven, burgers en instellingen hun kennis en kunde te kunnen laten inbrengen op de maatschappelijke transities, die voor ons liggen.

Wij moeten als bestuur ons transformeren van spender naar enabler

Wij moeten als bestuur ons transformeren van spender naar enabler, van op-het-pluche-zitter naar regisseur en verbinder, van bewaker-van-de (mazen van)-wet naar mogelijk-maker, van de overdreven focus op rechtmatigheid naar maatschappelijk ondernemerschap, van ambitiemannetjes en -vrouwtjes naar realisten, van de-wijsheid-in-pacht-hebben naar luisterrrrrren.

De lanen in, de paden op dus. Het bestuur van Fort Auvergne heeft in de spiegel gekeken en is veel wijzer geworden. Nieuwe koppelingen maken is het devies. Veranderen is noodzaak. Wij hebben het licht gezien.

Rowan on forest floor

© Jack Kruf (2022) Rowan on forest floor. Breda: Private collection.

On the forest floor I found this small Rowan (Sorbus accuparia L.). I estimate 15 cm high. At the Ulvenhoutse Bos in Breda, the autumn light felt in on the forest floor in the late evening and reached this young tree. The colours are that of the true palette of autumn and where this time of year stands for: finalise a year of (here first) growth,  prepare for winter and get ready for the year to come. Letting the leafs go is crucial for a new start in spring. “How beautiful.

The World Atlas of Trees and Forests

This book is noteworthy. The World Atlas of Trees and Forests: Exploring Earth’s Forest Ecosystems by Herman Shugart, Peter White, Sassan Saatchi, and Jérôme Chave. It is a marvelously illustrated look at the world’s diverse forests and their ecosystems, published by Princeton University Press.

The earth’s forests are havens of nature supporting a diversity of life. Shaped by climate and geography, these vast and dynamic wooded spaces offer unique ecosystems that shelter complex and interdependent webs of flora, fungi, and animals.

The World Atlas of Trees and Forests offers a beautiful introduction to what forests are, how they work, how they grow, and how we map, assess, and conserve them. It contains things of need to know. And of course the wisdom Hallé, Oldeman, and Tomlinson:

“A third insight into tree forms comes from the work of Hallé, Oldeman, and Tomlinson. Their scheme overlaps with some features of Corner’s rules in that it is particularly concerned with the pattern of branching. It is distinctive, though, in its emphasis on dynamics of development from seed to adult plant, its emphasis on the spatial position of growing points that produce branching, and its inclusion of where and how reproductive structures are produced. The authors described 23 models for the development of tree forms, naming each for a prominent botanist. Taking the palm form (single unbranched, thick stems and many large leaves) as an extreme in Corner’s rules. They named it Corner’s model.”

The book:

    • Provides the most wide-ranging coverage of the world’s forests available.
    • Takes readers beneath the breathtaking variety of wooded canopies that span the globe.
    • Profiles a wealth of tree species, with enlightening and entertaining natural-history highlights along the way.
    • Features stunning color photos, maps, and graphics.
    • Draws on the latest cutting-edge research and technology, including satellite imagery.

 

Dune light

I catched the late evening light from the seaside of this dune at Cadzand-Bad.

Kruf, J. (2022) Dune Light [fine art print]. Breda: Private collection.

Op weg naar een volledig circulaire economie

Jack Kruf | BNG Bank, november 2021

Begin 2021 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving de eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER 2021) gepubliceerd. Het rapport schetst de voortgang van de transitie naar een circulaire economie in Nederland. Erevoorzitter van PRIMO Europe – Jack Kruf –  heeft deze omvangrijke maar zeer informatieve rapportage samengevat op majeure risico’s, zoals zij door de auteurs zijn verwoord.

De Nederlandse regering wil in 2050 een volledig circulaire economie hebben bereikt. Monitoring van de voortgang van deze transitie is gewenst. Het rapport ICER 2021 is een belangrijke mijlpaal in dit proces. Het toont de interventies die de overheid in Nederland heeft gedaan om de transitie naar een circulaire economie op gang te brengen en te versnellen, alsmede de acties van maatschappelijke partijen.

Interventies en acties vormen samen de transitie-indicatoren, die een beeld geven van de mate waarin en de manier waarop bedrijven, consumenten en overheden voorsorteren op een circulaire economie. In dit rapport, dat onder supervisie van dr. Frank J. Dietz* van het Planbureau voor de Leefomgeving tot stand is gekomen, zijn deze beschreven. In hoofdstuk 4 is de voortgang aan de hand van een achttal sleutelprocessen (pagina 134) behandeld:

    • Ondernemerschap (experimenteren en opschalen van innovaties)
    • Kennisontwikkeling
    • Kennisuitwisseling
    • Richting geven aan het zoekproces (doelen en oplossingen)
    • Creatie van markten
    • Mobilisatie van middelen
    • Doorbreking van weerstand (legitimiteit en veranderdruk op gevestigd systeem)
    • Coördinatie van bundel van veranderprocessen in transitie

pblBron: Integrale Circulaire Economie Rapportage 2021, Planbureau voor de Leefomgeving

Hoofdboodschappen

De hoofdboodschap is dat de transitie naar een circulaire economie daadwerkelijk is gestart maar tegelijk ook nog slechts aan het begin staat. Het blijkt dat wij aan het begin staan en dat veel op ‘vrijwillige basis’ en met ‘soft controls’ verloopt.

Transitie
De transitie naar een circulaire economie staat bij veel maatschappelijke partijen op de agenda. De voortgang van de transitie is onder andere zichtbaar in het toenemende aantal ‘circulaire’ bedrijven, wetenschappelijke publicaties, opleidingen die aandacht besteden aan circulaire vraagstukken en financiële middelen die via ondersteunende instrumenten van de Rijksoverheid zijn gebruikt voor circulaire activiteiten.

Aanvangsfase
Ondanks de voortgang, bevindt de transitie zich nog in een aanvangsfase. Het aandeel circulaire bedrijven in Nederland is met zo’n 6 procent nog beperkt. Hiernaast functioneert het merendeel van de huidige economie nog volgens lineaire principes. Van de implementatie van circulair ontwerp of circulaire businessmodellen is nog nauwelijks sprake.De grootste milieuwinst verwacht men van ‘narrowing the loop’ en ‘slowing the loop’

Narrowing the loop
Zonder aanvullende acties blijft recycling de dominante richting in de transitie naar een circulaire economie. Recycling is onmisbaar in een circulaire economie. De grootste milieuwinst wordt echter verwacht van strategieën die zich richten op het verminderen van het totale grondstoffengebruik (narrowing the loop) en het verlengen van de levensduur van producten en onderdelen (slowing the loop). Deze strategieën krijgen tot op heden nauwelijks aandacht.

Andere spelregels

De transitie naar een circulaire economie gaat niet alleen over nieuwe technologieën, maar ook over andere spelregels (instituties), ander gedrag, nieuwe producten, diensten, kennis en alternatieve businessmodellen. Deze elementen krijgen nog weinig aandacht. De opschaling van circulaire activiteiten kent diverse belemmeringen.

Inspanningen

Het realiseren van de transitie is een belangrijk doel van het kabinetsbeleid. Dit vergt inspanningen van overheden, producenten, consumenten, ngo’s, wetenschappers en bestuurders. Een transitie is immers niet door enkel de overheid te sturen en te realiseren.

Risico’s

Vanuit het oogpunt van publiek risicomanagement (PRIMO) is een analyse van de belangrijkste risico’s van inhoud, proces en uitwerking dus een logische stap. De definitie van risico is hier ‘een mogelijke afwijking, respectievelijk schade van het beoogde doel’. Met name worden genoemd:

    • Leveringsrisico, zijnde het risico om niet te kunnen beschikken over een grondstof voor een economie of een bedrijf. Beperkte beschikbaarheid van kritieke materialen betekent een risico voor de economie en de levensstandaard in importerende landen.
    • Het risico op prijsvolatiliteit.
    • Indien de sortering, reparatie of het recyclen van deze producten niet op een veilige manier gebeurt, is het risico op ernstige vervuiling en gezondheidsschade hoog.
    • Financiers zien een risicoverhoging ten opzichte van het traditionele verkoopmodel, door bestaande accountingregels die product-als-een-dienst-bedrijven belemmeren als hun omvangrijke activa op de balans (bijvoorbeeld de wasmachines die worden verhuurd) staan en trage cashflow (huuropbrengst) veroorzaken. Deze bedrijven scoren slecht op kredietwaardigheid (solvabiliteit) binnen de huidige rekenmethode. Ze hebben relatief veel producten als werkvoorraad nodig, wat een relatief grote initiële investering vergt. De resulterende langere terugverdientijd wordt in de regel als risico verhogend gekwalificeerd door kredietverstrekkers.
    • Vergunningverleners en handhavers gebruiken echter routines bij het inschatten van risico’s om zo op een efficiënte manier aanvragen af te handelen. Deze routines zijn veelal risicomijdend, zelfs als wetten en normen ruimte voor verandering of experimenten bieden. Bovendien durven vergunningverleners uit angst voor juridische consequenties vaak niet af te wijken van een strikte interpretatie van wetten en regels. Nieuwe circulaire productieprocessen kunnen hierdoor worden gehinderd.
    • Risicoverkenning in relatie met energietransitie is van belang, omdat zij nauw verbonden is met circulaire economie. De energietransitie in Nederland leidt naar verwachting tot nieuwe leveringsrisico’s. De energietransitie vergt namelijk een niet eerder vertoonde versnelling van de jaarlijkse productiegroei van veel grondstoffen, hetgeen tot leveringsrisico’s leidt. Anderzijds is de koppeling van de verbranding van afval met de energievoorziening zoals warmtenetten is een risico voor de transitie naar een circulaire economie. Daarin wordt thans fors geïnvesteerd. Deze koppeling herbergt een risico op een ‘lock in’. De energievoorziening wordt dan namelijk afhankelijk van het verbranden van voldoende afval waardoor een prikkel ontstaat om voldoende afval te kunnen verbranden in plaats van afval te beperken en nuttige materialen daarin via recycling een volgend leven te geven.
    • De verschuiving van de verwerking van afval uit hoge-inkomenslanden naar lagelonenlanden met lagere milieustandaarden vergroot het risico op het ontstaan van pollution havens. Omdat de exportketens van afval niet transparant zijn, is er geen duidelijk beeld van hoe het geëxporteerde afval daadwerkelijk verwerkt wordt, of wat daarbij het risico op negatieve milieueffecten is en welk waardeverlies dit met zich meebrengt.
    • (Verdere) negatieve effecten kunnen optreden in het verleggen van productieketens, vooral bij armste deel van de wereldbevolking met het risico op sociale misstanden en op schendingen van arbeidsrechten (onder meer kinderarbeid). Ook lokale milieueffecten kunnen groot zijn.
    • Een duurzaamheidskader is nodig. Welke stof is duurzaam onder welk criterium van productie of als onderdeel van een product. Er is hier tevens het risico op overexploitatie, waardoor de voorraad aan biogrondstoffen niet kan worden hersteld en het risico op uitputting ontstaat. Dit vergt dat de biogrondstoffen op een duurzame manier worden geteeld, de bodemvruchtbaarheid op peil blijft en de nutriëntenkringlopen worden gesloten. Het Nederlandse bedrijfsleven zet stappen, maar nog lang niet alle risico’s zijn aangepakt.
    • De verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) wordt nog onvoldoende beheerst en brengt onvoorziene risico’s met zich mee. Bij hergebruik en recycling kunnen ZZS vrijkomen of zich ophopen in producten. Dat kunnen ook verboden stoffen zijn die nog in oudere producten verwerkt zitten. Ook kunnen nieuwe risico’s ontstaan door toepassing van nieuwe stofcombinaties. Dit vraagt om meer kennis over de daaraan verbonden risico’s.
    • De afhankelijkheid van de import van kritieke metalen vormt een risico voor de Nederlandse economie en de levensstandaard. Bij de winning van een aantal kritieke materialen zijn enkele landen dominant, waardoor het risico bestaat op monopolistisch gedrag.

Governance

Op pagina 198 wordt het woord governance voor het eerst opgevoerd: ‘Om in de volgende fase van de transitie afspraken te maken over te bereiken doelen en te ondernemen acties, is een duidelijke rolverdeling van belang tussen de verschillende betrokken partijen. Het scheppen van meer helderheid over de verantwoordelijkheden van de verschillende stakeholders en het gesprek hierover is dan ook een belangrijk onderdeel van de versterking van de governance van de transitie naar een circulaire economie.’

Een integrale risicoanalyse op het realiseren van een circulaire economie ontbreekt, maar de beschreven bouwstenen geven een eerste duiding. Het wordt een spannend proces, dat gezien de gestelde doelen meer systemische ingrepen van met name de overheid doet verwachten. Bestuurders en publieke leiders doen er wijs aan om dit rapport te lezen en de grote waarde ervan te laten doordringen in de te nemen besluiten. Immers, ‘regeren is vooruitzien’. Een waardevol rapport en qua integraliteit en vooral transdisciplinariteit de eerste in zijn soort. Vakwerk.

Hoe nu verder?

Het concept circulaire economie is zo omvangrijk en het eigenaarschap van de omwenteling of transitie zo gefragmenteerd dat lethargie op individueel organisatieniveau op de loer ligt. Caspar Boendermaker, Frank Dietz, Bob Hoogenboom, Jack Kruf, Hans Krul, Bart van der Linden, Leen Paape en Peter Robertson staken de koppen bij elkaar in juni 2021. Een bewust samengestelde groep met kennis vanuit public management, financiën c.q. investering, corporate management en wetenschap.

Het was elkaar ontmoeten met een open agenda, waarbij wij ons hebben laten leiden door het statement in het ICER-rapport (pagina 198) inzake besturing:’Om in de volgende fase van de transitie afspraken te maken over te bereiken doelen en te ondernemen acties, is een duidelijke rolverdeling van belang tussen de verschillende betrokken partijen. Het scheppen van meer helderheid over de verantwoordelijkheden van de verschillende stakeholders en het gesprek hierover is dan ook een belangrijk onderdeel van de versterking van de governance van de transitie naar een circulaire economie.’

Grote vraag naar kennis en onderwijs op circulair gebied

Vanuit de voorliggende opgaven, hun aard en complexiteit werd al snel kraakhelder in de groep dat de vraag naar kennis en onderwijs op circulair gebied erg groot is. Ook kwam naar voren dat de kennis op dit moment versnipperd is en het onderwijsaanbod zich nog in een beginfase bevindt. Daarnaast werd duidelijk dat de transitie een chefsache is voor veruit de meeste van de betrokken organisaties, omdat er tal van nieuwe koppelingen tussen strategie, management, verdienmodellen én uitvoering ontworpen én geïmplementeerd moeten worden – vaak tegelijkertijd.

Vernieuwingsimpuls

Het is niet zomaar ‘wat anders inkopen’ concludeerden wij. Ook nieuwe vormen van samenwerking zullen het werk moeten doen, met vaak ook andere partners. Er zal daarbij een toenemende behoefte ontstaan aan senior adviseurs, regisseurs en programmamanagers. Die trend in vraag is nu al waarneembaar. Het bestaande onderwijsaanbod op het gebied van complexiteits-, risico-, resilience en scenariodenken vraagt daarbij om een forse vernieuwingsimpuls. De traditionele lijnen van nu zullen niet volstaan, zo was de overtuiging in de genoemde groep.

Gerichte onderwijsprogramma’s

Een logische, direct volgende stap is inzetten op kennis- en onderwijsinfrastructuur. Gerichte onderwijsprogramma’s liggen dus voor de hand. Programma’s die over de grenzen van de huidige instellingen en branches heen werken en daarbij nieuwe verbindingen tot stand brengen. Nieuwe allianties, verdienmodellen, wet- en regelreving, vormen van publiek-private samenwerking, maar ook van politiek bedrijven, colleges en integraal sturen zullen voor succes noodzakelijk zijn. Dus er zal veel aandacht moeten komen hoe inhoud en besturing met elkaar opnieuw verbonden kunnen worden.

Samen naar school

Samen naar school – altijd al een sterk concept in mijn ogen – biedt hier en nu zeker grote kansen circulaire economie. Immers samen ontdekken, samen leren, samen afzien en samen oplossingen vinden. Het is een must. De circulaire economie moet de oude economie nu eenmaal vervangen, zulks voor Moeder Aarde, voor ons en onze kinderen. Is het niet Nelson Mandela die ons wederom de weg wijst: ‘Education is the most powerful weapon which you can use to change the world.’

Gedreven door maatschappelijke impact

Iedere organisatie kan op haar eigen wijze bijdrage aan de gewenste vernieuwingsimpuls en het samen naar school gaan. BNG Bank wil samen met haar klanten ontdekken en oplossingen vinden om de bekostigings- en financieringsmogelijkheden van circulaire bouw- en renovatieprojecten te verbeteren.Wij willen met ons commitment aan de Sustainable Development Goals met onze klanten werken aan de switch naar (meer) circulair en biobased bouwen. Horen waar hun vragen liggen, om zo bij te dragen aan ontwikkeling en versterking van deze opgave.

Lees hier het volledige rapport ICER 2021 * Dr. Frank J. Dietz gaf in oktober 2018 de 1e Professor Oldeman Lezing Duurzame Ontwikkeling en Circulaire Economie.