De ‘O’ van ‘Ontdekking’

Hans Redert en Jack Kruf

Zou het niet mooi zijn dat je als bestuurder, manager, medewerker ook in de gelegenheid zou zijn, in de modus mág staan, om gewoon te ontdekken hoe iets zit. Hoe bijvoorbeeld burgers tegen een vraagstuk aankijken, hoe zij zich voelen, hoe verbanden gelegd kunnen worden, wat de kern van het probleem is, de kwestie die voorligt, hoe leden van jouw team of college aankijken tegen een voorliggend plan of project, in alle openheid en eerlijkheid.

En dit alles uiteraard zonder door anderen een mogelijke onwetendheid te worden toegedicht (“Wist jij dat niet?”). O ja, dat is de achilleshiel voor ons bestuurders en managers. Wij kennen onszelf, dat vooral, maar hebben in de vele jaren van publieke dienst in het hart van het lokaal bestuur ervaren, dat deze eigenschap voor velen een dingetje is.

De ‘O’ van ‘Ontdekking’ mag wat ons betreft opnieuw op de borden als les 1 in het openbaar bestuur. Het willen weten. Nieuwsgierig mogen zijn, met open vizier kunnen kijken. Veilig, en altijd met een boei nabij. Dat zou mooi zijn. De ‘Ontdekking’ die daarmee zelf de reddingsboei voor goed bestuur wordt.

Een warm pleidooi van de Heren van Oranje voor de ‘Ontdekking’. Zij beschouwen dit als logisch onderdeel van het binnen het resilience-perspectief geroemde inclusieve denken en handelen. Toch komen wij het maar zelden tegen in de dagdagelijkse praktijk van politiek, bestuur en management.

Het begrip inclusief denken en handelen wordt door het internationale netwerk van resilient cities als basisfilosofie geduid om een stap te zetten in de kwaliteit van openbaar bestuur. Het wordt alom geroemd als dé weg voorwaarts. Het wordt beschreven als prioritise broad consultation to create a sense of shared ownership in decision making.

Ontdekken hoort daar volgens ons zeer bij, en is daarvan zelfs een kernonderdeel. Er valt nog zoveel te ontdekken! Dus? De paden op en de lanen in, denken wij. Ontdekken dus.

Climate Book

We still have time to change the world. From Greta Thunberg, the world’s leading climate activist, comes the essential handbook for making it happen. It is published by Allen Lane, Penguin Random House.

You might think it’s an impossible task: secure a safe future for life on Earth, at a scale and speed never seen, against all the odds. There is hope – but only if we listen to the science before it’s too late.

In The Climate Book, Greta Thunberg has gathered the wisdom of over one hundred experts – geophysicists, oceanographers and meteorologists; engineers, economists and mathematicians; historians, philosophers and indigenous leaders – to equip us all with the knowledge we need to combat climate disaster.

The crisis cannot be addressed, she writes, without talking about ‘morality, justice, shame, responsibility and guilt’

Alongside them, she shares her own stories of demonstrating and uncovering greenwashing around the world, revealing how much we have been kept in the dark. This is one of our biggest challenges, she shows, but also our greatest source of hope. Once we are given the full picture, how can we not act? And if a schoolchild’s strike could ignite a global protest, what could we do collectively if we tried?

We are alive at the most decisive time in the history of humanity. Together, we can do the seemingly impossible. But it has to be us, and it has to be now.

“One phrase from entomologist Dave Goulson seems to summarise all 464 pages: “It is not quite too late.” Emphasis on the quite.”

The last quote is from the Professor of Biology at University of Sussex, specializing in bee ecology, in the essay The Climate Book, created by Greta Thunberg review – an angry call for action by  for the Guardian.

My Word

Jack Kruf

This matrix links the internal and external drive to that of the language domain. It is often used in communication within politics and government. Of course, it also applies to the private and business worlds and the personal domains. Our words often share a light behind the scenes. This diagram brings drives and words together.

Bron: De Graaf en Kunst (2009). Design My Word (2020) ©Jack Kruf

The maximum of both worlds is want, and if the external drive is higher than the internal must is used, vice versa that is may. If both are low then can is used. In the middle of the matrix, the word dare is positioned to cross over or break through the boundaries of a quadrant. The matrix is often used in communication, co-creation and design sessions within groups.

The spoken language can tell us a lot about the internal drive of those who use the word in relation to the need to act. Many present policy plans use the word must. The context here is the need for change, innovation, development, transition, and transformation related to climate, energy, water, cyber, circular, social care, finance, resilience, and ecosystem protection. Migrating to want would give a lot of power. Is this possible, maybe seduction and education?

My word can be considered as an indicator of where I am in the diagram. From there, navigation can start.

Bibliography

Graaf, A. de en Kunst, K. (2009) Einstein en de kunst van het zeilen: Praktijkboek over leiderschap en communicatie. Amsterdam: Uitgeverij SWP. link

Value creation

C4C Value creation [fine art print, 1/1] by Jack Kruf (2019)

The story behind

Value creation is a challenging task when it is related to public values for citizens and society. This is most often inspired and promoted by non-profit organisations (orange). It is about the art of navigation between the system world (black) of rules and regulations on one hand and the living world (white) of daily life on the other hand. Investment power (grey) is crucial, in fact a starting point for good public governance in the creation of values.

Wall art

This rectangle archival pigment print of the city canvas with Pantone® colors Carrot Curl, Jet Black, Silver and Snow White. It is a reflective look for home and office interiors. It is still reminder of the hard work necessary for success.

Product Information

Price: sold

Dimensions: 19 x 19 cm

Limited edition print (1/1) on Hahnemühle fine art paper German Etching ®, 310 gsm, 100% α-cellulose · white · genuine mould-made paper, acid- and lignin-free, ISO 9706 compliant and museum quality for high age resistance. It has an extraordinary velvety tactile feel and a fine, clearly defined felt structure. The unique surface texture adds a very special touch to images, showcasing them in all their splendour with impressive three-dimensional effect and depth.

Op weg naar een volledig circulaire economie

Jack Kruf | BNG Bank, november 2021

Begin 2021 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving de eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER 2021) gepubliceerd. Het rapport schetst de voortgang van de transitie naar een circulaire economie in Nederland. Erevoorzitter van PRIMO Europe – Jack Kruf –  heeft deze omvangrijke maar zeer informatieve rapportage samengevat op majeure risico’s, zoals zij door de auteurs zijn verwoord.

De Nederlandse regering wil in 2050 een volledig circulaire economie hebben bereikt. Monitoring van de voortgang van deze transitie is gewenst. Het rapport ICER 2021 is een belangrijke mijlpaal in dit proces. Het toont de interventies die de overheid in Nederland heeft gedaan om de transitie naar een circulaire economie op gang te brengen en te versnellen, alsmede de acties van maatschappelijke partijen.

Interventies en acties vormen samen de transitie-indicatoren, die een beeld geven van de mate waarin en de manier waarop bedrijven, consumenten en overheden voorsorteren op een circulaire economie. In dit rapport, dat onder supervisie van dr. Frank J. Dietz* van het Planbureau voor de Leefomgeving tot stand is gekomen, zijn deze beschreven. In hoofdstuk 4 is de voortgang aan de hand van een achttal sleutelprocessen (pagina 134) behandeld:

    • Ondernemerschap (experimenteren en opschalen van innovaties)
    • Kennisontwikkeling
    • Kennisuitwisseling
    • Richting geven aan het zoekproces (doelen en oplossingen)
    • Creatie van markten
    • Mobilisatie van middelen
    • Doorbreking van weerstand (legitimiteit en veranderdruk op gevestigd systeem)
    • Coördinatie van bundel van veranderprocessen in transitie

pblBron: Integrale Circulaire Economie Rapportage 2021, Planbureau voor de Leefomgeving

Hoofdboodschappen

De hoofdboodschap is dat de transitie naar een circulaire economie daadwerkelijk is gestart maar tegelijk ook nog slechts aan het begin staat. Het blijkt dat wij aan het begin staan en dat veel op ‘vrijwillige basis’ en met ‘soft controls’ verloopt.

Transitie
De transitie naar een circulaire economie staat bij veel maatschappelijke partijen op de agenda. De voortgang van de transitie is onder andere zichtbaar in het toenemende aantal ‘circulaire’ bedrijven, wetenschappelijke publicaties, opleidingen die aandacht besteden aan circulaire vraagstukken en financiële middelen die via ondersteunende instrumenten van de Rijksoverheid zijn gebruikt voor circulaire activiteiten.

Aanvangsfase
Ondanks de voortgang, bevindt de transitie zich nog in een aanvangsfase. Het aandeel circulaire bedrijven in Nederland is met zo’n 6 procent nog beperkt. Hiernaast functioneert het merendeel van de huidige economie nog volgens lineaire principes. Van de implementatie van circulair ontwerp of circulaire businessmodellen is nog nauwelijks sprake.De grootste milieuwinst verwacht men van ‘narrowing the loop’ en ‘slowing the loop’

Narrowing the loop
Zonder aanvullende acties blijft recycling de dominante richting in de transitie naar een circulaire economie. Recycling is onmisbaar in een circulaire economie. De grootste milieuwinst wordt echter verwacht van strategieën die zich richten op het verminderen van het totale grondstoffengebruik (narrowing the loop) en het verlengen van de levensduur van producten en onderdelen (slowing the loop). Deze strategieën krijgen tot op heden nauwelijks aandacht.

Andere spelregels

De transitie naar een circulaire economie gaat niet alleen over nieuwe technologieën, maar ook over andere spelregels (instituties), ander gedrag, nieuwe producten, diensten, kennis en alternatieve businessmodellen. Deze elementen krijgen nog weinig aandacht. De opschaling van circulaire activiteiten kent diverse belemmeringen.

Inspanningen

Het realiseren van de transitie is een belangrijk doel van het kabinetsbeleid. Dit vergt inspanningen van overheden, producenten, consumenten, ngo’s, wetenschappers en bestuurders. Een transitie is immers niet door enkel de overheid te sturen en te realiseren.

Risico’s

Vanuit het oogpunt van publiek risicomanagement (PRIMO) is een analyse van de belangrijkste risico’s van inhoud, proces en uitwerking dus een logische stap. De definitie van risico is hier ‘een mogelijke afwijking, respectievelijk schade van het beoogde doel’. Met name worden genoemd:

    • Leveringsrisico, zijnde het risico om niet te kunnen beschikken over een grondstof voor een economie of een bedrijf. Beperkte beschikbaarheid van kritieke materialen betekent een risico voor de economie en de levensstandaard in importerende landen.
    • Het risico op prijsvolatiliteit.
    • Indien de sortering, reparatie of het recyclen van deze producten niet op een veilige manier gebeurt, is het risico op ernstige vervuiling en gezondheidsschade hoog.
    • Financiers zien een risicoverhoging ten opzichte van het traditionele verkoopmodel, door bestaande accountingregels die product-als-een-dienst-bedrijven belemmeren als hun omvangrijke activa op de balans (bijvoorbeeld de wasmachines die worden verhuurd) staan en trage cashflow (huuropbrengst) veroorzaken. Deze bedrijven scoren slecht op kredietwaardigheid (solvabiliteit) binnen de huidige rekenmethode. Ze hebben relatief veel producten als werkvoorraad nodig, wat een relatief grote initiële investering vergt. De resulterende langere terugverdientijd wordt in de regel als risico verhogend gekwalificeerd door kredietverstrekkers.
    • Vergunningverleners en handhavers gebruiken echter routines bij het inschatten van risico’s om zo op een efficiënte manier aanvragen af te handelen. Deze routines zijn veelal risicomijdend, zelfs als wetten en normen ruimte voor verandering of experimenten bieden. Bovendien durven vergunningverleners uit angst voor juridische consequenties vaak niet af te wijken van een strikte interpretatie van wetten en regels. Nieuwe circulaire productieprocessen kunnen hierdoor worden gehinderd.
    • Risicoverkenning in relatie met energietransitie is van belang, omdat zij nauw verbonden is met circulaire economie. De energietransitie in Nederland leidt naar verwachting tot nieuwe leveringsrisico’s. De energietransitie vergt namelijk een niet eerder vertoonde versnelling van de jaarlijkse productiegroei van veel grondstoffen, hetgeen tot leveringsrisico’s leidt. Anderzijds is de koppeling van de verbranding van afval met de energievoorziening zoals warmtenetten is een risico voor de transitie naar een circulaire economie. Daarin wordt thans fors geïnvesteerd. Deze koppeling herbergt een risico op een ‘lock in’. De energievoorziening wordt dan namelijk afhankelijk van het verbranden van voldoende afval waardoor een prikkel ontstaat om voldoende afval te kunnen verbranden in plaats van afval te beperken en nuttige materialen daarin via recycling een volgend leven te geven.
    • De verschuiving van de verwerking van afval uit hoge-inkomenslanden naar lagelonenlanden met lagere milieustandaarden vergroot het risico op het ontstaan van pollution havens. Omdat de exportketens van afval niet transparant zijn, is er geen duidelijk beeld van hoe het geëxporteerde afval daadwerkelijk verwerkt wordt, of wat daarbij het risico op negatieve milieueffecten is en welk waardeverlies dit met zich meebrengt.
    • (Verdere) negatieve effecten kunnen optreden in het verleggen van productieketens, vooral bij armste deel van de wereldbevolking met het risico op sociale misstanden en op schendingen van arbeidsrechten (onder meer kinderarbeid). Ook lokale milieueffecten kunnen groot zijn.
    • Een duurzaamheidskader is nodig. Welke stof is duurzaam onder welk criterium van productie of als onderdeel van een product. Er is hier tevens het risico op overexploitatie, waardoor de voorraad aan biogrondstoffen niet kan worden hersteld en het risico op uitputting ontstaat. Dit vergt dat de biogrondstoffen op een duurzame manier worden geteeld, de bodemvruchtbaarheid op peil blijft en de nutriëntenkringlopen worden gesloten. Het Nederlandse bedrijfsleven zet stappen, maar nog lang niet alle risico’s zijn aangepakt.
    • De verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) wordt nog onvoldoende beheerst en brengt onvoorziene risico’s met zich mee. Bij hergebruik en recycling kunnen ZZS vrijkomen of zich ophopen in producten. Dat kunnen ook verboden stoffen zijn die nog in oudere producten verwerkt zitten. Ook kunnen nieuwe risico’s ontstaan door toepassing van nieuwe stofcombinaties. Dit vraagt om meer kennis over de daaraan verbonden risico’s.
    • De afhankelijkheid van de import van kritieke metalen vormt een risico voor de Nederlandse economie en de levensstandaard. Bij de winning van een aantal kritieke materialen zijn enkele landen dominant, waardoor het risico bestaat op monopolistisch gedrag.

Governance

Op pagina 198 wordt het woord governance voor het eerst opgevoerd: ‘Om in de volgende fase van de transitie afspraken te maken over te bereiken doelen en te ondernemen acties, is een duidelijke rolverdeling van belang tussen de verschillende betrokken partijen. Het scheppen van meer helderheid over de verantwoordelijkheden van de verschillende stakeholders en het gesprek hierover is dan ook een belangrijk onderdeel van de versterking van de governance van de transitie naar een circulaire economie.’

Een integrale risicoanalyse op het realiseren van een circulaire economie ontbreekt, maar de beschreven bouwstenen geven een eerste duiding. Het wordt een spannend proces, dat gezien de gestelde doelen meer systemische ingrepen van met name de overheid doet verwachten. Bestuurders en publieke leiders doen er wijs aan om dit rapport te lezen en de grote waarde ervan te laten doordringen in de te nemen besluiten. Immers, ‘regeren is vooruitzien’. Een waardevol rapport en qua integraliteit en vooral transdisciplinariteit de eerste in zijn soort. Vakwerk.

Hoe nu verder?

Het concept circulaire economie is zo omvangrijk en het eigenaarschap van de omwenteling of transitie zo gefragmenteerd dat lethargie op individueel organisatieniveau op de loer ligt. Caspar Boendermaker, Frank Dietz, Bob Hoogenboom, Jack Kruf, Hans Krul, Bart van der Linden, Leen Paape en Peter Robertson staken de koppen bij elkaar in juni 2021. Een bewust samengestelde groep met kennis vanuit public management, financiën c.q. investering, corporate management en wetenschap.

Het was elkaar ontmoeten met een open agenda, waarbij wij ons hebben laten leiden door het statement in het ICER-rapport (pagina 198) inzake besturing:’Om in de volgende fase van de transitie afspraken te maken over te bereiken doelen en te ondernemen acties, is een duidelijke rolverdeling van belang tussen de verschillende betrokken partijen. Het scheppen van meer helderheid over de verantwoordelijkheden van de verschillende stakeholders en het gesprek hierover is dan ook een belangrijk onderdeel van de versterking van de governance van de transitie naar een circulaire economie.’

Grote vraag naar kennis en onderwijs op circulair gebied

Vanuit de voorliggende opgaven, hun aard en complexiteit werd al snel kraakhelder in de groep dat de vraag naar kennis en onderwijs op circulair gebied erg groot is. Ook kwam naar voren dat de kennis op dit moment versnipperd is en het onderwijsaanbod zich nog in een beginfase bevindt. Daarnaast werd duidelijk dat de transitie een chefsache is voor veruit de meeste van de betrokken organisaties, omdat er tal van nieuwe koppelingen tussen strategie, management, verdienmodellen én uitvoering ontworpen én geïmplementeerd moeten worden – vaak tegelijkertijd.

Vernieuwingsimpuls

Het is niet zomaar ‘wat anders inkopen’ concludeerden wij. Ook nieuwe vormen van samenwerking zullen het werk moeten doen, met vaak ook andere partners. Er zal daarbij een toenemende behoefte ontstaan aan senior adviseurs, regisseurs en programmamanagers. Die trend in vraag is nu al waarneembaar. Het bestaande onderwijsaanbod op het gebied van complexiteits-, risico-, resilience en scenariodenken vraagt daarbij om een forse vernieuwingsimpuls. De traditionele lijnen van nu zullen niet volstaan, zo was de overtuiging in de genoemde groep.

Gerichte onderwijsprogramma’s

Een logische, direct volgende stap is inzetten op kennis- en onderwijsinfrastructuur. Gerichte onderwijsprogramma’s liggen dus voor de hand. Programma’s die over de grenzen van de huidige instellingen en branches heen werken en daarbij nieuwe verbindingen tot stand brengen. Nieuwe allianties, verdienmodellen, wet- en regelreving, vormen van publiek-private samenwerking, maar ook van politiek bedrijven, colleges en integraal sturen zullen voor succes noodzakelijk zijn. Dus er zal veel aandacht moeten komen hoe inhoud en besturing met elkaar opnieuw verbonden kunnen worden.

Samen naar school

Samen naar school – altijd al een sterk concept in mijn ogen – biedt hier en nu zeker grote kansen circulaire economie. Immers samen ontdekken, samen leren, samen afzien en samen oplossingen vinden. Het is een must. De circulaire economie moet de oude economie nu eenmaal vervangen, zulks voor Moeder Aarde, voor ons en onze kinderen. Is het niet Nelson Mandela die ons wederom de weg wijst: ‘Education is the most powerful weapon which you can use to change the world.’

Gedreven door maatschappelijke impact

Iedere organisatie kan op haar eigen wijze bijdrage aan de gewenste vernieuwingsimpuls en het samen naar school gaan. BNG Bank wil samen met haar klanten ontdekken en oplossingen vinden om de bekostigings- en financieringsmogelijkheden van circulaire bouw- en renovatieprojecten te verbeteren.Wij willen met ons commitment aan de Sustainable Development Goals met onze klanten werken aan de switch naar (meer) circulair en biobased bouwen. Horen waar hun vragen liggen, om zo bij te dragen aan ontwikkeling en versterking van deze opgave.

Lees hier het volledige rapport ICER 2021 * Dr. Frank J. Dietz gaf in oktober 2018 de 1e Professor Oldeman Lezing Duurzame Ontwikkeling en Circulaire Economie.